Particulieren met vermogen buiten hun eigen woning zoeken duidelijkheid over box 3. De Belastingdienst rekent op het moment van schrijven met 5,88 procent fictief rendement voor ‘overige bezittingen’ zoals beleggingen. Dit speelt in Nederland bij de aangifte over het afgelopen jaar. Veel beleggers willen weten of dat hoger of lager is dan hun werkelijke rendement, en wat dat betekent voor de uiteindelijke belasting.
Forfait bepaalt nu de heffing
In box 3 wordt het rendement tijdelijk niet op basis van werkelijke opbrengst belast. De Overbruggingswet box 3 deelt vermogen in drie groepen: spaargeld, overige bezittingen en schulden. Voor elke groep geldt een eigen forfait (een vast percentage) dat jaarlijks meebeweegt met marktcijfers.
Voor overige bezittingen, zoals aandelen en obligaties buiten spaargeld, hanteert de Belastingdienst op het moment van schrijven 5,88 procent fictief rendement. Over dat berekende rendement betaal je vervolgens het box 3-tarief, dat nu 36 procent is. De exacte uitkomst hangt af van je vermogensmix en het heffingsvrije vermogen.
Het forfaitaire rendement voor ‘overige bezittingen’ staat nu op 5,88 procent; het box 3-tarief is 36 procent.
Het Ministerie van Financiën gebruikt deze methode sinds het kerstarrest van de Hoge Raad, dat het oude stelsel afwees. Het doel is tijdelijke rechtsherstel en een eenvoudiger uitvoering. De discussie over eerlijkheid blijft echter bestaan zolang het werkelijke rendement niet leidend is.
Wanneer je duurder uit bent
Is jouw netto beleggingsrendement lager dan 5,88 procent, dan voelt de belasting relatief zwaar. Stel dat je 3 procent haalt en buiten het heffingsvrije vermogen valt. Dan wordt je belasting berekend over 5,88 procent, niet over 3 procent.
Rekenvoorbeeld, exclusief heffingsvrij vermogen: bij 100.000 euro overige bezittingen is het fictieve rendement 5.880 euro. Daarover betaal je 36 procent belasting, dus 2.116,80 euro. Verdien je in werkelijkheid 3.000 euro, dan slokt de heffing ruim twee derde van je echte winst op.
Dit effect treft vooral voorzichtige beleggers met lage risico’s en beperkte koerswinsten. Ook wie tijdelijk verlies draait, kan toch belasting betalen over een positief forfait. Dat is precies waarom het stelsel onder druk staat.
Wanneer het meevalt
Beleg je offensiever en haal je gemiddeld meer dan 5,88 procent, dan pakt de heffing relatief lichter uit. Bij 8 procent werkelijk rendement op 100.000 euro is je winst 8.000 euro. Je belasting blijft 2.116,80 euro, waardoor effectief circa 26,5 procent van je echte winst naar de fiscus gaat.
Deze uitkomst is voor groeibeleggers vaak acceptabeler, zeker in sterke beursjaren. Let wel: het forfait verandert jaarlijks. Daalt of stijgt de markt, dan verschuift de balans tussen “te veel” en “te weinig” betalen.
Ook specifieke kosten tellen in het huidige stelsel niet volledig mee. Dat maakt actieve strategieën met hoge transactiekosten relatief ongunstiger dan een simpel buy-and-hold beleid.
Werkelijk rendement nog niet leidend
De Hoge Raad oordeelde dat belastingheffing niet los mag staan van draagkracht. Toch is volledig belasten op werkelijk rendement pas in voorbereiding. Het Ministerie van Financiën werkt aan een nieuw stelsel, beoogd vanaf 2027.
Bij werkelijk rendement tel je rente, dividend, huur en koerswinsten, minus kosten. Dat sluit beter aan bij wat mensen echt verdienen of verliezen. Maar de uitvoering is complex: banken en brokers moeten data verzamelen en delen, ook over buitenlandse rekeningen.
Hier raken technologie en privacy aan elkaar. Onder de AVG moet dataminimalisatie gelden en moeten gegevens veilig worden uitgewisseld. Grensoverschrijdende informatie-uitwisseling vereist bovendien afstemming met Europese partners.
Wat kun je nu doen
Inventariseer je vermogensmix rond de peildatum 1 januari. Meer spaargeld valt onder een lager forfait, terwijl overige bezittingen onder 5,88 procent vallen. Herverdeling binnen je risicogrens kan de heffing drukken, zonder speculatieve keuzes.
Check vrijstellingen, zoals voor groene beleggingen, en de toerekening tussen fiscale partners. Kleine aanpassingen kunnen veel uitmaken rond het heffingsvrije vermogen. Houd ook rekening met kosten: die verlagen je echte rendement, maar veranderen het forfait niet.
Wie grote uitgaven of aflossingen plant, kan het moment daarvan wegen ten opzichte van de peildatum. Bewaar documentatie van rendementen en kosten voor straks, als het werkelijke-rendementstelsel er komt. Dat helpt bij controle en bezwaarprocedures.
Tot slot: er loopt nog steeds juridische discussie over de houdbaarheid van het overgangsstelsel. Nieuwe uitspraken kunnen de regels beïnvloeden. Volg daarom updates van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën op het moment van schrijven nauwgezet.
