Een Nederlandse columnist legt deze week uit waarom hij of zij geen generatieve AI gebruikt bij het schrijven. Het gaat om tools als ChatGPT van OpenAI, Google Gemini en Microsoft Copilot. De keuze draait om eigen stijl, betrouwbaarheid en werkplezier. De discussie raakt ook de Europese AI-verordening en de gevolgen voor overheid en media, zoals transparantie over AI-gebruik.
Menselijk vakmanschap voorop
Schrijven is voor veel auteurs een ambacht. Het kost tijd om een idee te vormen, een invalshoek te kiezen en zinnen te slijpen. Die stappen bepalen de toon en de persoonlijkheid van een column. De columnist kiest daarom bewust voor een volledig menselijke werkwijze.
Generatieve systemen kunnen teksten samenvatten of voorbeelden geven. Toch leveren ze vaak een vlakke middenmoot op. Voor opinie en commentaar telt juist de eigen stem en het ritme van de schrijver. Dat is lastig te bewaren met een model dat gemiddeld taalgebruik voorspelt.
Lezers koppelen een column aan één naam en één verantwoordelijkheid. AI-assistentie kan die verantwoordelijkheid vertroebelen. Een schrijver moet kunnen uitleggen waarom een zin zo staat. Zonder algoritme ertussen is dat helder en controleerbaar.
Stijlverlies door generatieve tools
Modellen als GPT-4o (OpenAI), Gemini 1.5 (Google) en Mistral Large werken met patronen in enorme tekstverzamelingen. Ze voorspellen het meest waarschijnlijke volgende woord. Dat levert vaak correcte, maar generieke zinnen op. Eigenzinnigheid en humor verdwijnen makkelijk.
Voor columns is die eigen toon juist het onderscheid. Kleine afwijkingen, lokale uitdrukkingen en onverwachte verbanden maken de tekst levend. Een systeem dat naar gemiddelden neigt, vijlt die randen weg. De columnist wil dat voorkomen.
Redacties zien hetzelfde risico in koppen en intro’s. Die moeten scherp zijn en origineel. AI kan helpen bij varianten bedenken, maar bepaalt niet de eindkeuze. Die blijft bij de mens, juist om de eigen signatuur te houden.
Nauwkeurigheid blijft een risico
Generatieve AI kan fouten maken, ook met zelfvertrouwen. Zulke verzinsels heten hallucinaties. In journalistiek werk kost dat extra tijd voor controle. De tijdwinst van een snelle eerste versie kan zo verdwijnen in factchecking.
Veiligheidsfilters worden beter, maar garanderen geen foutloze output. Bronnen ontbreken soms of zijn onvolledig. Namen en data kunnen door elkaar raken. Voor columns met feitelijke claims is dat een reëel probleem.
Daarnaast kan aansprakelijkheid spelen bij onjuistheden. Publicaties in Nederland vallen onder het civiele recht en persnormen. Onjuiste beschuldigingen of cijfers zijn dan risicovol. Een menselijke eindredactie blijft dus nodig.
Hallucinaties zijn onjuiste of verzonnen antwoorden die een taalmodel met grote stelligheid kan geven.
Privacy en AVG begrenzen gebruik
Schrijvers verwerken vaak persoonsgegevens, zoals citaten, e-mails of notities. Het delen daarvan met een cloudmodel is een gegevensverwerking. De AVG eist dan dataminimalisatie en een duidelijke doelbinding. Niet alles mag of hoeft de tool in.
Veel AI-diensten verwerken invoer buiten de eigen organisatie. Soms staan servers buiten de EU. Dat vraagt om goede contracten en waarborgen, zoals versleuteling. Zonder die zekerheden kan invoer van gevoelige data onwenselijk of verboden zijn.
Sommige aanbieders gebruiken gebruikersdata om modellen te verbeteren, tenzij je dat uitzet. Organisaties kiezen daarom vaker voor afgeschermde varianten. Denk aan Copilot in Microsoft 365 met tenant-beperkingen of een eigen instance van een open model. Zo blijft materiaal binnen de muren.
AI-verordening vraagt transparantie
De Europese AI-verordening (AI Act) legt transparantieplichten op voor gegenereerde of gemanipuleerde content. Wie synthetische media inzet, moet dat duidelijk maken. Voor journalistiek geldt ruimte voor redactionele vrijheid, maar misleiding is niet toegestaan. Labels of disclaimers worden daarmee gebruikelijker.
Schrijfhulp valt meestal in de lage-risicoklasse. Toch moedigt de wet gedragscodes aan, ook voor media. Denk aan afspraken over brongebruik, dossiervorming en controle. Redacties vertalen dit naar praktische richtlijnen.
Voor auteurs betekent dit: hoe meer AI in de keten, hoe meer uitleg nodig is. Dat kan de relatie met lezers beïnvloeden. Sommigen kiezen daarom voor een duidelijke grens. Geen AI in de eindtekst houdt de verantwoording simpel.
Richtlijnen in Nederlandse redacties
In Nederland testen redacties AI vooral voor ondersteunende taken. Samenvattingen, transcripties en vertalingen zijn populair. Eindteksten gaan bijna altijd door menselijke handen. Dat sluit aan bij het idee van menselijk vakmanschap.
Tools als Google Gemini in Workspace en Microsoft Copilot bieden integraties voor kantoorwerk. Ze besparen tijd bij zoeken en ordenen. Maar bij contentcreatie gelden strengere spelregels. Vertrouwelijke bronnen en ongepubliceerd materiaal blijven buiten de prompt.
Journalistenvakbonden pleiten voor heldere afspraken over eigendom en verantwoordelijkheid. Ook vragen ze om training in AI-geletterdheid. Zo weten makers wat werkt en wat niet. De columnist kiest intussen voor volledig handwerk, om stijl en betrouwbaarheid te bewaken.
Impact op onderwijs en media
De keuze van één auteur staat niet op zichzelf. Opleidingen in Nederland bespreken actief wanneer AI wel of niet past. Studenten leren prompts schrijven én kritisch nalezen. Zo ontstaat een bewuste omgang met algoritmen.
Voor mediaorganisaties draait het om vertrouwen. Lezers willen weten wie spreekt en waarop dat is gebaseerd. Duidelijke disclosure helpt, maar is niet altijd genoeg. Een menselijke stem kan dan de doorslag geven.
Ook de overheid kijkt mee naar transparantie, mede door de AI-verordening. Dat raakt publiekscommunicatie en archivering. Instellingen moeten nu beleid maken dat uitvoerbaar is. Dat zet een rem op ondoordacht AI-gebruik en stimuleert gerichte inzet.
