Op het Oekraïense front nemen robots en kunstmatige intelligentie snel meer taken over. Beide legers zetten drones, grondvoertuigen en analysesystemen in om verliezen te beperken en sneller te reageren. Dit gebeurt nu, onder zware elektronische oorlog en hoge druk aan de frontlinie. De inzet roept direct vragen op over de Europese AI-verordening (AI Act) en de gevolgen voor defensie en toezicht.
Drones voeren meer taken uit
Verkenningsdrones en zogeheten FPV-toestellen voeren steeds vaker missies uit die voorheen door infanterie werden gedaan. Ze zoeken artilleriedoelen, brengen loopgraven in kaart en voeren gerichte aanvallen uit. Zo proberen commandanten risico’s voor bemande patrouilles te verlagen en sneller inlichtingen te verzamelen.
Naast vliegende systemen komen ook onbemande grondvoertuigen in beeld. Het Estse Milrem Robotics leverde THeMIS-UGV’s die worden ingezet voor logistiek en medische evacuaties. Zulke voertuigen rijden op afstand bestuurd, met rijhulpfuncties zoals automatische routevolging om onder vuur kortstondig autonoom te bewegen.
De tactiek verandert mee met de technologie. Eenheden combineren goedkope quadcopters met zwaardere munitiedrones voor doorbraakacties. Ook worden geïmproviseerde middelen, zoals aangepaste commerciële DJI-drones, ingezet om het tempo hoog te houden.
Algoritmen omzeilen stoorzenders
Elektronische oorlogvoering stoort GPS en radio, waardoor handmatige besturing kan wegvallen. Daarom verplaatsen functies naar de rand: beeldherkenning op de drone zelf helpt doelen herkennen zonder constante dataverbinding. Dit zijn computervisiemodellen die objecten leren onderscheiden op basis van duizenden voorbeeldbeelden.
De software ondersteunt de operator met waarschuwingen, doelkaders en koersvoorstellen. Zo blijft “menselijke controle” behouden, terwijl beslisinformatie sneller op het scherm komt. In de praktijk betekent dit dat het systeem voordelen biedt bij slechte verbinding, maar dat een mens nog steeds de aanval bevestigt.
Ook navigatie wordt slimmer met visuele oriëntatie en traagheidsmeting, zodat drones kunnen terugkeren als GPS wegvalt. De keerzijde is dat het model kan falen bij rook, nacht, sneeuw of camouflagenetten. Daarom trainen ontwikkelaars op meerdere sensoren, zoals warmtecamera’s, om robuuster te werken.
Europese spelers schuiven op
Europese defensiebedrijven investeren in softwaregestuurde sensoren en commandoplatforms. Helsing uit Duitsland en Zweden levert, op het moment van schrijven, AI-modules voor situational awareness aan Europese krijgsmachten. Rheinmetall werkt aan systemen die luchtdreigingen detecteren en autonoom volgen, met een mens die het laatste schotgoedkeuring geeft.
De Europese Defensiefonds-programma’s financieren projecten rond onbemande systemen en datamodellen. Dat versnelt de overdracht van civiele innovaties, zoals edge-computing en dataversleuteling, naar militaire toepassingen. Tegelijk moeten leveranciers rekening houden met exportregels voor dual-use technologie onder EU-verordening 2021/821.
De AI-verordening (AI Act) sluit defensie grotendeels uit van haar reikwijdte. Toch vallen toeleveranciers vaak onder aanpalende regels, zoals productveiligheid en cyberbeveiliging. Voor Nederlandse en Europese bedrijven betekent dit: innovaties kunnen, maar transparantie, logging en kill-switches worden norm in contracten.
Autonome wapens zijn systemen die zonder directe menselijke instructie doelen selecteren en aanvallen; veel landen eisen “zinvolle menselijke controle” om besluiten over leven en dood bij mensen te houden.
Juridische en morele grenzen
De oorlog versnelt experimenten met semiautonome functies, maar legt ook grenzen bloot. Het oorlogsrecht eist onderscheid tussen strijders en burgers, en proportionaliteit. Een algoritme dat zich vergist, kan dat niet toelichten in een rechtszaal; verantwoordelijkheid ligt dus bij mensen en staten.
Nederland speelde een zichtbare rol met de REAIM-top in Den Haag, waar landen spraken over verantwoord gebruik van militaire AI. Het kabinet benadrukt, op het moment van schrijven, dat besluitvorming over geweld onder menselijke controle moet blijven. Dat klinkt principieel, maar vraagt in de praktijk om auditlogs, duidelijke escalatieprocedures en training.
Gezichtsherkenning en databanken brengen extra risico’s mee. In eerdere fases van de oorlog zijn commerciële systemen gebruikt om gesneuvelden en krijgsgevangenen te identificeren, wat privacy- en due-diligencevragen oproept. Binnen de EU zou zo’n inzet onder AVG-normen voor dataminimalisatie en beveiliging vallen, tenzij uitzonderingen gelden.
Volledige autonomie blijft beperkt
Ondanks snelle vooruitgang is volledige autonomie zeldzaam aan het front. Weersomstandigheden, modder, schokbelasting en jamming maken betrouwbare detectie en navigatie lastig. Modellen die in het lab goed scoren, kunnen in het veld onvoorspelbaar reageren.
Dat geldt ook voor zwermen van tientallen drones die gecoördineerd opereren. Ze bestaan vooral in demonstraties; in gevechtssituaties lopen communicatiekanalen snel vol of vallen weg. Daarom kiezen legers voor kleine, redundante teams met eenvoudige protocollen.
De grootste winst zit nu in software die operators ontlast: betere kaarten, snellere targetcorrelatie en directe koppeling met vuursteun. Die “mens-in-de-lus”-benadering past bij Europese eisen aan verantwoording en toezicht. Het verkleint ook de kans op escalatie door een fout signaal of een gehackt systeem.
Gevolgen voor Nederland en EU
Voor Europese krijgsmachten betekent dit dat inkoop en doctrine moeten meebewegen. Contracten zullen eisen opnemen over dataveiligheid, robuustheid tegen stoorzenders en uitlegbaarheid van modellen. Opleidingen krijgen modules over AI-hulpmiddelen, sensorfouten en juridische kaders.
De Nederlandse Defensie werkt aan een AI-strategie waarin toetsing, logging en menselijk toezicht verplicht zijn. In de praktijk raakt dit ook civiele partners, zoals TNO en universiteiten, die dual-use onderzoek doen. Transparantie over datasets en testmethodes wordt daarmee een inkoopcriterium.
Voor beleidsmakers blijft de kernvraag: hoe bewaak je mensenrechten en oorlogsrecht, terwijl de tegenstander verdergaat met snelle automatisering. De AI-verordening en exportregels bieden randvoorwaarden, maar laten defensie grotendeels vrij. Juist daarom groeit de druk op politieke afspraken en operationele normen, voordat robots en algoritmen de norm worden aan het front.
