OpenAI zou op het moment van schrijven dagelijks tot 15 miljoen dollar uitgeven aan het genereren en testen van Sora-video’s. Sora is het tekst-naar-video-model van het Amerikaanse AI-bedrijf. De hoge rekenkosten spelen in de VS, maar raken ook Europa door energiegebruik en regelgeving. De vraag is of en wanneer dit tot een houdbaar verdienmodel leidt.
Kosten lopen snel op
Sora zet korte tekstbeschrijvingen om in video’s, een taak die veel rekenkracht vraagt. Dit heet inferentie: het uitvoeren van een getraind model om een resultaat te maken. Voor video betekent dat miljoenen beeldpunten per seconde en complexe animatie. Dat vereist grote aantallen GPU’s en snelle opslag.
Er circuleren schattingen dat de dagelijkse kosten op het moment van schrijven oplopen tot 10 à 15 miljoen dollar. OpenAI heeft zulke bedragen niet publiek bevestigd. De uitgaven gaan naar rekenkracht, dataverkeer, menselijke controle en veiligheidssystemen. Ook opslag van hoge-resolutie video’s weegt zwaar mee.
Per minuut video kan de kostprijs variëren van enkele tot tientallen dollars, afhankelijk van resolutie en duur. Hoe langer en scherper de clip, hoe duurder de productie. Schaalvoordeel drukt de prijs, maar maakt de totale rekening juist hoger. Zonder duidelijke inkomstenbron blijft dat een risico.
“De kosten voor Sora lopen op tot naar schatting 15 miljoen dollar per dag.”
Verdienmodel blijft onduidelijk
Sora is op het moment van schrijven nog niet breed beschikbaar voor consumenten of bedrijven. OpenAI toont voorbeelden en test met makers. Een prijsmodel is niet publiek gemaakt. Daardoor is het lastig om kosten en opbrengsten te vergelijken.
OpenAI verdient nu vooral aan ChatGPT-abonnementen, zakelijke licenties en API-gebruik. Video past in die strategie, maar vraagt veel meer rekenkracht per output. Zonder efficiënte hardware of slimme beperkingen kan elk extra gebruik verliesgevend zijn. Dat remt een brede uitrol.
Critici zeggen dat veel Sora-clips vooral demonstraties zijn met weinig direct nut voor bedrijven. Tegelijk experimenteren studio’s en bureaus met reclame, storyboards en visual effects. Als de kwaliteit stabiel is en de prijs voorspelbaar, kan een markt ontstaan. Tot die tijd blijft het een kostbare proef.
Energie en klimaatdruk
De rekenlast van generatieve video vertaalt zich naar hoog energieverbruik. Datacenters moeten koelen, pieken opvangen en water gebruiken. In Europa gelden strengere rapportage- en duurzaamheidsdoelen. Dat legt druk op aanbieders én afnemers.
In Nederland speelt netcongestie en ligt uitbreiding van hyperscale datacenters gevoelig. Discussies over locaties, watergebruik en CO2-voetafdruk lopen al jaren. Sora-achtige werkstromen verergeren die spanning. Efficiëntie en groene stroom worden daarmee strategische factoren.
Voor Europese bedrijven telt naast kosten ook reputatierisico. Klanten en toezichthouders vragen om transparantie over energie en herkomst van content. Zonder heldere afspraken kan adoptie stokken. Dat geldt zeker voor media en publieke sector.
EU-regels sturen inzet
De Europese AI-verordening (AI Act) legt verplichtingen op aan aanbieders van algemene AI-modellen. Denk aan technische documentatie, evaluaties en informatie over gebruikte trainingsbronnen. Ook gelden transparantieregels voor synthetische media, zoals duidelijke labeling van AI-beeld. Dat raakt direct aan tekst-naar-video-systemen.
Zeer capabele algemene modellen kunnen als systeemrisico worden aangemerkt. Dan gelden extra plichten, zoals risicobeperking en incidentmelding. Als Sora breed wordt ingezet, moet OpenAI daarop voorsorteren. Dat vraagt investeringen in audits en watermarking.
Voor Nederlandse organisaties spelen daarnaast de AVG en dataminimalisatie. Wie AI-video inzet met persoonsgegevens, moet grondslag en beveiliging borgen. Overheden moeten de “Europese AI-verordening gevolgen overheid” vroegtijdig doorvertalen. Publieke communicatie met AI-beelden vraagt heldere disclaimers.
Effect op Nederlandse markt
Omroepen, reclamebureaus en opleiders zien kansen voor snelle prototyping en lagere productiekosten. Tegelijk schrikt een onzekere kostprijs af. Zonder betrouwbare tarieven is plannen lastig. Contracten zullen plafonds en kwaliteitsnormen moeten bevatten.
Labeling en herkomstinformatie worden standaard. Verschillende aanbieders testen watermerken en metadata, zoals C2PA of SynthID. Dat helpt tegen misleiding en ondersteunt archivering. Zonder dat lopen redacties en overheden reputatierisico.
Voor mediabedrijven kan Sora de drempel voor visuele content verlagen. Maar auteursrecht, datakwaliteit en veiligheid blijven aandachtspunten. Een volwassen markt vraagt afspraken over vergoedingen en rechten. Dat debat is in Europa nog in volle gang.
Concurrentie blijft intens
Google werkt aan Veo, Runway aan Gen-3, en Pika aan eigen videomodellen. De wedloop om kwaliteit en lengte van video’s jaagt de kosten op. Alleen spelers met diepe zakken en sterke cloudpartners kunnen dat volhouden. OpenAI leunt daarbij op Microsoft Azure.
Voor Europa is toegang tot betaalbare rekenkracht cruciaal. Initiatieven rond eigen infrastructuur krijgen daardoor meer gewicht. Zonder dat blijft adoptie afhankelijk van Amerikaanse clouds. Dat maakt beleidskeuzes over data, energie en concurrentie nog urgenter.
De kernvraag blijft of gebruikers voor AI-video willen betalen wat het kost. Als prijzen dalen en kwaliteit stijgt, kantelt de markt. Tot die tijd is Sora vooral een duur voorfront van innovatie. De echte test komt bij brede, betaalbare uitrol.
