SMIC waarschuwt dat de wereldwijde bouw van datacenters sneller groeit dan het daadwerkelijke gebruik. Het technologiebedrijf ziet het risico dat een deel van de nieuwe capaciteit jaren ongebruikt blijft. De verwachting raakt ook Europa en Nederland, waar stroomnetten vol zitten en vergunningen tijd kosten. Dit heeft gevolgen voor kosten, duurzaamheid en voor beleid rond kunstmatige intelligentie en de Europese AI-verordening met gevolgen voor overheid en bedrijfsleven.
Capaciteit groeit sneller dan vraag
SMIC signaleert dat hyperscalers en colocatiepartijen versneld uitbreiden om piekvraag voor AI en cloud op te vangen. Er worden extra hallen, transformatoren en glasvezelringen aangelegd om latere groei veilig te stellen. Die aanpak heet overprovisioning: meer bouwen dan vandaag nodig is om morgen geen tekort te hebben.
Het risico is dat de vraag naar rekenkracht en opslag grillig blijft. Veel organisaties zetten AI-projecten pas in productie na pilots, waardoor de werkelijke afname achterblijft. Dan ontstaat lege vloeroppervlakte of ongebruikte rekken die wel rente en energie kosten.
Financieel kan dit leiden tot hogere tarieven of langer lopende contracten voor klanten. Operationeel drukt het op de duurzaamheidsdoelen, omdat koeling, noodstroom en netwerk draaien zonder optimale benutting. SMIC noemt dit een structurele uitdaging voor de komende bouwgolven.
AI-clusters blijven deels leeg
Nieuwe AI-clusters met duizenden GPU’s (grafische rekenchips voor parallel rekenen) worden snel uitgerold. Maar modellen, data en software zijn vaak nog niet klaar om die hardware continu te benutten. Daardoor draaien trainingsrondes in golven en staat capaciteit tussentijds stil.
Daarnaast vraagt AI om speciale koeling, zoals vloeistofkoeling, en om aangepaste stroomverdeling per rack. Die upgrades lopen soms achter op de levering van servers. Het gevolg is geïnstalleerde hardware die niet op vol vermogen mag draaien.
Ook schedulingsoftware en MLOps-processen (beheer van machinelearning in productie) zijn nog in ontwikkeling. Teams hebben tijd nodig om data op te schonen en pipelines op te zetten. In de tussentijd ontstaat reservecapaciteit die op papier beschikbaar is, maar in de praktijk zelden 24/7 volloopt.
Netcongestie remt ingebruikname
In Nederland en delen van Europa is netcongestie een harde rem op nieuwe datacenters. Aansluitingen met hoge vermogens vergen jarenlange planning bij TenneT en regionale netbeheerders zoals Liander en Enexis. Zware componenten als transformatoren en schakelaars kennen bovendien lange levertijden.
Vergunningen voor uitbreiding vragen tijd door stikstof-, water- en geluidseisen. Koelwater en restwarmte-inpassing moeten met gemeenten en warmtebedrijven worden afgestemd. Zonder deze randvoorwaarden mag capaciteit soms maar beperkt of gefaseerd live.
Daarom wijken projecten uit naar regio’s met meer duurzame stroom, zoals Scandinavië. Dat verschuift wel latency en datalocatie, wat voor sommige sectoren onwenselijk is. Europese datalokalisatieregels en AVG-vereisten maken die keuzes extra complex.
Europa scherpt rapportage aan
Datacenters boven 500 kW moeten op het moment van schrijven in de EU energie- en watercijfers rapporteren via het Europese datacentregister onder de Energie-efficiëntierichtlijn. Indicatoren zoals PUE (verhouding tussen totale en IT-energie) worden inzichtelijk. Dat legt ongebruikte of inefficiënte capaciteit sneller bloot.
De Europese AI-verordening vraagt daarnaast om transparantie en risicobeheersing bij inzet van algoritmen. Overheidsinkoop zal daardoor scherper letten op duurzaamheid, datalocatie en efficiënt gebruik van rekenkracht. Onbenutte AI-infrastructuur past slecht bij die doelen en bij CO2-plannen.
Voor aanbieders betekent dit: faseren, meten en publiek rapporteren. Wie capaciteit modulair oplevert, beperkt het risico op “stranded” assets. En wie warmte hergebruikt of efficiëntere koeling inzet, scoort beter op rapportage en vergunningskansen.
Stranded capacity: infrastructuur die is gebouwd maar (nog) niet benut wordt door gebrek aan stroom, koeling, vergunningen of werkbelasting.
Gevolgen voor de Nederlandse markt
Voor Nederlandse klanten in cloud en colocatie spelen contractvormen een grotere rol. Flexibele reserveringen en pay-as-you-go beperken het risico om te betalen voor lege capaciteit. Tegelijk willen leveranciers zekerheid om investeringen terug te verdienen, wat tot langere looptijden kan leiden.
Operators in Nederland zetten sterker in op gefaseerde bouw, modulaire zalen en vloeistofkoeling voor AI-racks. Warmteafgifte aan stadsverwarming helpt bij vergunningen en ESG-doelen. Regio’s met beschikbare netcapaciteit krijgen voorrang bij uitbreidingen.
Beleidsmatig zijn versnelling van netverzwaring en duidelijke aanwijzing van hyperscale-zones cruciaal. Het Nationaal Actieprogramma Netcongestie en regionaal overleg met netbeheerders moeten planningstijden verkorten. Zo kan Nederland AI-groei faciliteren zonder grote voorraden ongebruikte infrastructuur.
Strategische keuzes voor bouwers
SMIC’s waarschuwing stuurt op vraaggestuurde oplevering en betere forecasting. Datacenters die uitbreiden in stappen, met duidelijke klantcommitments, beperken kapitaalbeslag. Slimme koeling en power capping maken pieken beheersbaar zonder overbouw.
Cloudproviders en AI-teams kunnen de benutting verhogen met betere jobplanning en datavoorbereiding. Ook het delen van GPU-pools tussen teams vergroot de bezetting. Daarbij helpt transparante rapportage over wachttijden, kosten en uitstoot per taak.
Voor Europese en Nederlandse overheden ligt de focus op samenhang tussen AI-beleid, energie en ruimtelijke ordening. Heldere, voorspelbare regels versnellen investeringen en verminderen verspilling. Dat maakt de groei van rekenkracht duurzamer én beter betaalbaar.
